Categorieën
Medicijnen en reflux

Antidepressiva en brandend maagzuur: is er een verband?

Antidepressiva en brandend maagzuur: bestaat er een verband tussen het gebruik van deze medicijnen en het ontstaan of verergeren van refluxklachten? Sommige antidepressiva kunnen invloed hebben op de werking van de onderste slokdarmsluitspier, de maaglediging, de speekselproductie en de gevoeligheid van de slokdarm. In dit uitgebreide artikel bespreken we de mogelijke mechanismen, de verschillen tussen antidepressiva en wat wetenschappelijk onderzoek hierover laat zien.

Dit artikel is bedoeld als algemene medische informatie en vervangt geen persoonlijk advies van een arts of apotheker.

Veel mensen gebruiken dagelijks antidepressiva. Soms jarenlang. Wanneer zij daarnaast last krijgen van brandend maagzuur, zure oprispingen of een branderig gevoel achter het borstbeen, wordt niet altijd gedacht aan een mogelijk verband met hun medicatie.

Toch is dat verband de moeite waard om te onderzoeken.

Antidepressiva beïnvloeden de werking van neurotransmitters: chemische boodschapperstoffen (zoals bijvoorbeeld “serotonine”, “noradrenaline” en “acetylcholine”) waarmee zenuwcellen signalen doorgeven.
Sommigen zorgen voor een verhoogde aanwezigheid van serotonine (het “knuffelhormoon”). Er zijn ook antidepressiva met een zogenaamde “anticholinerge” werking – ze blokkeren de werking van acetylcholine – waardoor ze invloed kunnen uitoefenen op de zenuwsturing van de slokdarm en de maag.

Maar betekent dit dat antidepressiva brandend maagzuur kunnen veroorzaken of verergeren?

Om dit goed te begrijpen, kijken we eerst naar de werking van de refluxbarrière: een complex samenspel van 
verschillende mechanismen die normaal gesproken 
voorkomen dat maaginhoud terugstroomt naar de slokdarm.

Tussen de slokdarm en de maag bevindt zich een belangrijk beschermingsmechanisme: de refluxbarrière.
Een centraal onderdeel daarvan is de onderste slokdarmsfincter (een sluitspier), ook wel LES genoemd (Lower Esophageal Sphincter).

Deze spierzone heeft normaal gesproken een zekere rustspanning. Daardoor kan voedsel wel naar de maag passeren, maar stroomt maaginhoud niet gemakkelijk terug naar de slokdarm.
Ook het middenrif speelt hierbij een belangrijke rol. De spiervezels rondom de opening waar de slokdarm doorheen loopt, ondersteunen de afsluitende werking van de LES.

De refluxbarrière wordt beïnvloed door verschillende factoren, waaronder:

  • De rustspanning van de onderste slokdarmsfincter.
  • De samenwerking tussen de LES en het middenrif.
  • De druk in de maag en de buikholte.
  • De snelheid waarmee de maag zich leegt.
  • De zenuwsturing van de slokdarm en de maag.

Wanneer dit systeem onvoldoende functioneert, kan maaginhoud terugstromen naar de slokdarm. Dit noemen we gastro-oesofageale reflux.
Antidepressiva kunnen sommige onderdelen van dit systeem beïnvloeden!
Meer weten? Lees alles over de refluxbarrière, de bewaker van de slokdarm.

Er zijn verschillende mogelijke verklaringen.

Sommige antidepressiva hebben een zogenaamde anticholinerge werking. Dit betekent dat ze de werking van acetylcholine remmen, een stof die onder andere helpt om de spieren van het spijsverteringskanaal aan te sturen en te laten aanspannen.

Een van die spieren is de onderste slokdarmsfincter (LES), de sluitspier tussen de slokdarm en de maag. Deze spier zorgt er normaal gesproken voor dat maaginhoud niet gemakkelijk terugstroomt naar de slokdarm.

Door hun anticholinerge werking kunnen bepaalde antidepressiva de spanning van deze sluitspier verlagen. Hierdoor sluit de overgang tussen maag en slokdarm minder goed af, waardoor maaginhoud gemakkelijker kan terugstromen en brandend maagzuur kan ontstaan of verergeren.

Toch zit hier een opvallende tegenstrijdigheid.

De meeste refluxepisoden ontstaan namelijk niet doordat de sluitspier voortdurend te slap is, maar doordat deze zich af en toe kort ontspant terwijl dat eigenlijk niet nodig is. Tijdens zo’n tijdelijke ontspanning kan maaginhoud ook terugstromen naar de slokdarm.

Onderzoekers hebben ontdekt dat anticholinerge middelen, zoals atropine, niet alleen de spanning van de sluitspier kunnen verlagen, maar tegelijkertijd ook het aantal van deze tijdelijke ontspanningen kunnen verminderen.

Dat klinkt tegenstrijdig: de sluitspier wordt minder krachtig, maar gaat mogelijk minder vaak onnodig open.

In sommige experimenten leidde dit zelfs tot minder refluxepisoden.

Hoeveel reflux uiteindelijk optreedt, hangt dus niet alleen af van hoe stevig de sluitspier gesloten blijft, maar ook van hoe vaak deze tijdelijk ontspant.

De tijdelijke ontspanningen van de onderste slokdarmsluitspier – in de literatuur: Transient Lower Esophageal Relaxation’s genoemd – (TLESR’s) ontstaan niet willekeurig. Ze worden aangestuurd door een reflexmechanisme waarbij het autonome zenuwstelsel een belangrijke rol speelt.

Wanneer de maag zich vult en uitzet, bijvoorbeeld na een maaltijd, merken speciale zenuwen in de maagwand dit op. Zij sturen via een belangrijke zenuwverbinding signalen naar de hersenstam.
De hersenstam kan vervolgens signalen terugsturen naar de onderste slokdarmsluitspier, waardoor deze zich tijdelijk ontspant.

Dit hele proces verloopt automatisch, zonder dat we ons daarvan bewust zijn, en wordt geregeld door het autonome zenuwstelsel.

Dit mechanisme is op zichzelf volkomen normaal. Het maakt het mogelijk dat ingeslikte lucht uit de maag kan ontsnappen, bijvoorbeeld tijdens het boeren. Wanneer tijdens zo’n ontspanning ook maaginhoud terugstroomt naar de slokdarm, kan reflux ontstaan.

Het autonome zenuwstelsel speelt niet alleen een rol bij de aansturing van de slokdarm en de maag, maar ook bij de regulatie van verschillende spijsverteringsprocessen.

Stress en spanning kunnen de werking van het maag-darmstelsel en de gevoeligheid voor klachten beïnvloeden. Dat betekent echter niet dat stress automatisch leidt tot meer TLESR’s.
Lees hier wat de rol van stress op reflux is.

Wel maakt deze samenhang duidelijk waarom het bij refluxklachten zinvol kan zijn om, naast de werking van de refluxbarrière, ook aandacht te besteden aan ademhaling, spanning en de regulatie van het autonome zenuwstelsel.

In mijn Brandend Maagzuur Herstelplan bespreek ik onder andere de invloed van ademhaling en hartcoherentie op het autonome zenuwstelsel, als onderdeel van een brede aanpak van refluxklachten.

Geneesmiddelen met een anticholinerge werking kunnen de spanning van de onderste slokdarmsluitspier verminderen en daarmee de kans op reflux vergroten en bestaande reflux versterken. 
Hoe sterk dit effect optreedt, verschilt echter van persoon tot persoon.

De reactie op antidepressiva wordt onder andere bepaald door het specifieke geneesmiddel, de dosering, de individuele gevoeligheid en de werking van de refluxbarrière. Bovendien kunnen deze medicijnen verschillende processen beïnvloeden die samen bepalen of maaginhoud terugstroomt naar de slokdarm.

De invloed van antidepressiva op reflux is dus niet bij iedereen hetzelfde. Waar de ene persoon meer refluxklachten kan ontwikkelen, hoeft een ander daar nauwelijks of helemaal geen last van te hebben. Het uiteindelijke effect hangt af van de wisselwerking tussen het geneesmiddel en de individuele fysiologische omstandigheden.

Ook de beweeglijkheid, het samentrekken van de maag wordt mede aangestuurd door het autonome zenuwstelsel. Daarbij speelt acetylcholine weer een belangrijke rol. Sommige antidepressiva, vooral die met een sterke anticholinerge werking, kunnen deze aansturing afremmen. Hierdoor gaat de maag minder bewegen, voedsel wordt daardoor slechter gemengd met maagsap. Ook kan de het ledigen van de maag vertragen.

Maar wat betekent dit voor het ontstaan van brandend maagzuur?

Na een maaltijd begint de maag het voedsel te kneden en te mengen met maagsap. Tegelijkertijd vormt zich in het bovenste gedeelte van de maag vaak een laagje sterk zuur maagsap dat nog niet goed met de voedselbrij is vermengd.

Dit laagje wordt de ‘acid pocket’ genoemd, letterlijk vertaald: een zuurzakje. Je kunt het je voorstellen als een plasje maagzuur dat boven op de voedselbrij ligt, vlak bij de overgang van de maag naar de slokdarm.

Wanneer de onderste slokdarmsfincter (LES) tijdelijk ontspant of onvoldoende afsluit, kan dit sterk zure maagsap gemakkelijk terugstromen naar de slokdarm. Dat kan het typerende branderige gevoel achter het borstbeen geven en zure oprispingen veroorzaken.

Normaal gesproken kneedt en mengt de maag het voedsel met maagsap, waarna de maaginhoud geleidelijk wordt doorgestuurd naar de dunne darm. Wanneer deze bewegingen minder goed verlopen en de maag zich langzamer leegt, blijven voedsel en maagsap langer in de maag aanwezig. Dit kan leiden tot een vol gevoel, een opgeblazen buik en een verhoogde kans op reflux.

Wanneer het voedsel minder goed wordt gemengd en de maaglediging vertraagt, kan dit invloed hebben op de manier waarop de acid pocket zich ontwikkelt en weer verdwijnt. De zure laag kan mogelijk langer aanwezig blijven. Ook de omvang en de ligging van de acid pocket kunnen veranderen, afhankelijk van onder andere de maagbewegingen, de hoeveelheid maaginhoud en de positie van de maag.

Vooral wanneer de acid pocket zich dicht bij de onderste slokdarmsluitspier bevindt, kan zuur maagsap gemakkelijker terugstromen naar de slokdarm. Zo kunnen een verminderde mengwerking van de maag en een vertraagde maaglediging bijdragen aan het ontstaan of verergeren van refluxklachten.

Het is echter belangrijk te weten dat de acid pocket ook bij een normaal functionerende maag kan ontstaan. Een vertraagde maaglediging is dus niet per definitie de directe oorzaak van dit verschijnsel maar verhindert het verplaatsen en het oplossen ervan.
Bij sommige antidepressiva kan een verminderde maagmotiliteit daarmee één van de factoren zijn die refluxklachten in stand houden of verergeren. Hoe groot deze invloed is, verschilt per geneesmiddel en per persoon.

Sommige antidepressiva, vooral middelen met een anticholinerge werking, kunnen de speekselproductie verminderen. Een droge mond is dan ook een bekende bijwerking van deze geneesmiddelen.

Wat veel mensen niet weten, is dat speeksel niet alleen belangrijk is voor de mondgezondheid, maar ook een essentiële rol speelt bij de bescherming van de slokdarm tegen maagzuur.

De slokdarm beschikt namelijk over een natuurlijk reinigingsmechanisme, de zogenaamde slokdarmclearance.

Wanneer maaginhoud terugstroomt naar de slokdarm, moet deze zo snel mogelijk weer worden verwijderd. Dit gebeurt in twee stappen:

  1. Mechanische clearance: door de knijpende bewegingen van de slokdarm (peristaltiek) wordt het grootste deel van de teruggestroomde maaginhoud weer naar de maag getransporteerd.
  2. Chemische clearance: het kleine beetje zuur dat daarna op het slokdarmslijmvlies achterblijft, wordt geneutraliseerd door het bicarbonaat in het doorgeslikte speeksel. Bicarbonaat is een stof die zuur kan neutraliseren.

Voor een goed functionerende chemische clearance is dus voldoende speeksel nodig. We slikken gedurende de dag regelmatig speeksel door, waardoor de slokdarm steeds opnieuw wordt geholpen bij het verwijderen en neutraliseren van achtergebleven maagzuur.

Wat gebeurt er wanneer antidepressiva de speekselproductie verminderen?

Wanneer er minder speeksel wordt geproduceerd, komt er ook minder bicarbonaat in de slokdarm terecht. Hierdoor kan het langer duren voordat achtergebleven maagzuur voldoende is geneutraliseerd.

Het slokdarmslijmvlies kan daardoor langer aan zuur worden blootgesteld, wat brandend maagzuur kan verergeren en bij bestaande refluxziekte mogelijk kan bijdragen aan slijmvliesbeschadiging.

Het belangrijke verschil is dat een verminderde speekselproductie niet noodzakelijk méér refluxepisoden veroorzaakt, maar er wel voor kan zorgen dat de slokdarm na een refluxepisode langer aan zuur wordt blootgesteld.

Dit verklaart waarom antidepressiva met een anticholinerge werking refluxklachten mogelijk kunnen verergeren, zelfs wanneer de werking van de onderste slokdarmsfincter niet aantoonbaar is veranderd.

Niet iedereen met brandend maagzuur heeft aantoonbaar een verhoogde hoeveelheid zure reflux.
Bijvoorbeeld in geval van verborgen of stille reflux!

Sommige mensen hebben een verhoogde gevoeligheid van de slokdarm voor prikkels die normaal gesproken weinig of geen klachten veroorzaken.

Antidepressiva kunnen de verwerking van pijnsignalen in het zenuwstelsel beïnvloeden.
Dat kan twee kanten op werken.
Sommige antidepressiva veroorzaken maag-darmklachten als bijwerking. Andere worden juist in lage doseringen gebruikt om de overgevoeligheid van de slokdarm te verminderen.

Daarom is het belangrijk onderscheid te maken tussen daadwerkelijke reflux en een verhoogde gevoeligheid voor normale refluxepisoden.

Zoals je hebt kunnen lezen, hangt reflux niet alleen samen met de hoeveelheid maagzuur. Ook de werking van de refluxbarrière, de maaglediging, de slokdarmclearance en het autonome zenuwstelsel spelen een belangrijke rol.

In mijn Brandend Maagzuur Herstelplan ga ik uitgebreid in op deze verschillende mechanismen. Je ontdekt hoe je met gerichte oefeningen, kleine aanpassingen in voeding en leefstijl en met ademhalingstraining en -technieken kunt werken aan de oorzaken van reflux.

Lees ook hier eens waarom maagzuur onmisbaar is voor je spijsvertering en waarom problemen vaak niet komen door een teveel, maar door een verstoorde werking.

Antidepressiva geneesmiddelen vormen geen homogene groep.
De verschillende middelen hebben uiteenlopende farmacologische eigenschappen.
We onderscheiden vier belangrijke groepen.

Tricyclische antidepressiva behoren tot de oudere antidepressiva.
Voorbeelden zijn:

Werkzame stofToepassingen
AmitriptylineDepressie, zenuwpijn, migrainepreventie
NortriptylineDepressie, zenuwpijn
ClomipramineDepressie, dwangstoornis
ImipramineDepressie, bepaalde andere indicaties
Dosulepine (dothiepin)Ouder antidepressivum, tegenwoordig weinig gangbaar

Veel TCA’s hebben een duidelijke anticholinerge werking.

Bij het gebruik van amitriptyline komen een droge mond en verstopping (obstipatie) regelmatig voor. Daarnaast kan dit medicijn de bewegingen van de maag en darmen vertragen, waardoor het voedsel minder snel door het spijsverteringskanaal wordt vervoerd.

In 2007 onderzochten Nederlandse onderzoekers van het Erasmus MC het verband tussen tricyclische antidepressiva en refluxoesofagitis, een ontsteking van de slokdarm door reflux.

In een onderzoek onder 1.462 patiënten met een door middel van een kijkonderzoek vastgestelde slokdarmontsteking door reflux, bleek dat mensen die tricyclische antidepressiva (TCA’s) gebruikten, een duidelijk verhoogde kans hadden op deze aandoening.
De onderzoekers vonden bij gebruikers van deze antidepressiva een duidelijk verhoogde kans op een slokdarmontsteking door reflux

Bij analyse van afzonderlijke middelen bleek vooral clomipramine geassocieerd met een verhoogde kans op refluxoesofagitis.

Deze resultaten zijn belangrijk, maar bewijzen niet dat clomipramine zelf de oorzaak was. Ook de aandoening waarvoor het middel werd voorgeschreven of andere factoren kunnen hebben bijgedragen.

SSRI’s behoren tot de meest voorgeschreven antidepressiva.
Ze remmen de heropname van serotonine in zenuwcellen, waardoor serotonine langer beschikbaar blijft voor signaaloverdracht.
Voorbeelden zijn:

Werkzame stofBijzonderheden
ParoxetineHeeft ook zwakke anticholinerge eigenschappen
SertralineKan maag-darmklachten veroorzaken
CitalopramSSRI met relatief weinig anticholinerge werking
EscitalopramSSRI met relatief weinig anticholinerge werking
FluoxetineKan onder andere misselijkheid veroorzaken
FluvoxamineWordt onder andere bij dwangstoornissen gebruikt

Serotonine staat vooral bekend als een stof die in de hersenen betrokken is bij stemming en emoties. Maar wat veel mensen niet weten, is dat ongeveer 90 tot 95% van de serotonine in ons lichaam in het maag-darmkanaal wordt aangemaakt.

Daar vervult serotonine een belangrijke rol bij de spijsvertering. Het helpt bij het regelen van de bewegingen van de maag en darmen en speelt een rol bij de afgifte van spijsverteringssappen. Daarnaast helpt serotonine om signalen vanuit de darmwand door te geven aan zenuwen die de spijsvertering aansturen.

Wanneer voedsel in de maag en darmen terechtkomt, komt er plaatselijk serotonine vrij. Dit helpt het zenuwstelsel van de darm om de voedselbrij op de juiste manier verder te transporteren.

SSRI’s, zoals paroxetine, sertraline en fluoxetine, remmen de heropname van serotonine. Daardoor blijft serotonine langer beschikbaar om zijn werking uit te oefenen.

Dit gebeurt niet alleen in de hersenen, maar ook in het maag-darmkanaal. Hierdoor kan de normale aansturing van de maag en darmen tijdelijk veranderen.

Zo kan een verhoogde serotonineactiviteit bepaalde zenuwen prikkelen die betrokken zijn bij misselijkheid. Ook kunnen de bewegingen van de darmen veranderen, waardoor voedsel sneller wordt voortgestuwd en diarree kan ontstaan. Bij sommige mensen treden juist andere klachten op, zoals buikpijn, een opgeblazen gevoel of verstopping.

Deze bijwerkingen komen vooral in de eerste weken van de behandeling voor. Het lichaam past zich vaak geleidelijk aan de veranderde serotonineactiviteit aan, waardoor de klachten bij veel mensen weer verminderen.

Misselijkheid, diarree en buikpijn zijn niet hetzelfde als
gastro-oesofageale reflux. Bij reflux stroomt maaginhoud terug naar de slokdarm, waarbij onder andere de werking van de refluxbarrière een belangrijke rol speelt.

Dat SSRI’s de serotonineactiviteit en daarmee de werking van het maag-darmkanaal beïnvloeden, betekent dus niet automatisch dat ze ook reflux veroorzaken.

Of SSRI’s bijdragen aan het ontstaan of verergeren van refluxklachten, hangt mede af van het specifieke geneesmiddel en de individuele reactie daarop. Dit verband moet daarom afzonderlijk worden beoordeeld.

Een Britse observationele studie uit 2010 vond bij mensen met depressie geen duidelijk verband tussen SSRI-gebruik en het ontstaan van GERD.

Een veel grotere retrospectieve studie, gepubliceerd in 2025, vond daarentegen wel een statistisch verband tussen SSRI-gebruik en GERD.

Deze verschillen laten zien dat de wetenschappelijke literatuur nog geen eenduidig antwoord geeft.

Bovendien kunnen observationele onderzoeken niet zonder meer aantonen dat een antidepressivum zelf de reflux veroorzaakt.

SNRI’s beïnvloeden zowel serotonine als noradrenaline.
Bekende voorbeelden zijn:

Werkzame stofToepassingen
VenlafaxineDepressie en angststoornissen
DuloxetineDepressie, angststoornissen en bepaalde vormen van zenuwpijn

Ook deze middelen kunnen maag-darmklachten veroorzaken.

In de retrospectieve studie uit 2025 werd eveneens een statistisch verband gevonden tussen SNRI-gebruik en GERD.

Maar ook hier geldt dat een statistische samenhang niet automatisch een oorzakelijk verband betekent.

De precieze fysiologische mechanismen waarmee SNRI’s reflux zouden kunnen beïnvloeden, zijn minder goed vastgesteld dan sommige effecten van sterk anticholinerge geneesmiddelen.

Niet alle antidepressiva behoren tot de hierboven genoemde groepen.
Voorbeelden zijn:

Werkzame stofBijzonderheden
MirtazapineNoradrenerge en specifiek serotonerge werking; kan eetlust en gewicht beïnvloeden
BupropionBeïnvloedt vooral noradrenaline en dopamine
TrazodonHeeft onder andere serotonerge eigenschappen

Deze middelen verschillen aanzienlijk in hun werking.

Daarom is het niet verantwoord om ze als één groep met hetzelfde refluxrisico te beschouwen.

Bij mirtazapine kan bijvoorbeeld gewichtstoename optreden. Bij mensen die hierdoor overgewicht ontwikkelen, kan dit indirect ongunstig zijn voor bestaande refluxklachten.

Dat is echter iets anders dan een direct aangetoond effect van mirtazapine op de onderste slokdarmsfincter.

Paroxetine of onder een andere fabrieksnaam Seroxat, verdient afzonderlijke aandacht.
Het behoort tot de SSRI’s, maar onderscheidt zich doordat het ook, hetzij zwakke, anticholinerge eigenschappen bezit.
Het Nederlandse Farmacotherapeutisch Kompas vermeldt deze eigenschap expliciet.

Daardoor is paroxetine farmacologisch interessant wanneer we onderzoeken hoe antidepressiva de spijsvertering kunnen beïnvloeden.
Toch moeten we voorzichtig zijn met de conclusie dat paroxetine de refluxbarrière rechtstreeks verzwakt.
Dat is niet overtuigend aangetoond in klinische onderzoeken bij langdurige gebruikers.

Wel kunnen verschillende mechanismen een rol spelen, zoals veranderingen in de maag-darmfunctie, speekselproductie of de verwerking van lichamelijke prikkels.
Bij iemand die paroxetine gebruikt en refluxklachten ontwikkelt, is het daarom zinvol om het medicijngebruik mee te nemen in de medische beoordeling.

Dat iemand paroxetine gebruikt en refluxklachten heeft, betekent niet automatisch dat paroxetine de oorzaak is. Ook andere factoren kunnen een rol spelen bij het ontstaan of verergeren van deze klachten.

Een interessante vraag is waarom iemand soms jarenlang hetzelfde antidepressivum gebruikt voordat brandend maagzuur ontstaat.

Als het medicijn al zo lang wordt gebruikt, kan het dan nog een rol spelen?
Dat is mogelijk, maar het verband is moeilijk vast te stellen.
In de loop van het leven kunnen verschillende factoren veranderen:

  • De werking van de refluxbarrière.
  • Het lichaamsgewicht en de buikdruk.
  • De aanwezigheid van een middenrifbreuk.
  • De maaglediging en slokdarmmotiliteit.
  • Het gebruik van andere medicijnen.
  • De totale anticholinerge belasting.

Een geneesmiddel dat aanvankelijk geen merkbare problemen veroorzaakte, zou later in combinatie met andere factoren kunnen bijdragen aan klachten.

Een grote retrospectieve studie uit 2025 vond bovendien dat de statistische samenhang tussen antidepressivagebruik en refluxgerelateerde aandoeningen sterker was bij langdurig gebruik van meer dan tien jaar.
Dat is een interessante bevinding, maar geen bewijs dat antidepressiva de refluxbarrière geleidelijk beschadigen.

Ook kunnen andere factoren, waaronder leeftijd, bijkomende aandoeningen en veranderingen in medicijngebruik, de gevonden verbanden beïnvloeden.
Langdurig gebruik verdient daarom aandacht, zonder dat we daaruit automatisch een oorzakelijke relatie mogen afleiden.

Wanneer je antidepressiva gebruikt en daarnaast brandend maagzuur ontwikkelt of je merkt dat het steeds erger wordt, is het verstandig om het medicijngebruik met je huisarts of apotheker te bespreken.

Vooral wanneer de klachten begonnen na het starten van een geneesmiddel of na een dosisverhoging, kan dit belangrijke informatie opleveren.

Maar ook bij langdurig gebruik kan een medicatiebeoordeling zinvol zijn.

Daarbij kan worden gekeken naar de totale medicatie, mogelijke bijwerkingen, wisselwerkingen en eventuele alternatieven.

Vooral bij middelen zoals paroxetine en venlafaxine kunnen bij abrupt stoppen duidelijke onttrekkingsverschijnselen optreden. Eventuele dosisverlaging moet daarom zorgvuldig en onder medische begeleiding plaatsvinden.

Wanneer de klachten aanhouden, kan aanvullend onderzoek nodig zijn om vast te stellen of werkelijk sprake is van refluxziekte.

Brandend maagzuur kan namelijk ook voorkomen bij een overgevoelige slokdarm, zonder dat er sprake is van pathologisch verhoogde zure reflux.

Bij slikproblemen, onbedoeld gewichtsverlies of aanhoudend braken is medische beoordeling zonder meer nodig. Bij bloedbraken of zwarte, teerachtige ontlasting is spoedbeoordeling noodzakelijk.

Er zijn wetenschappelijke aanwijzingen dat het gebruik van bepaalde antidepressiva samenhangt met een verhoogde kans op gastro-oesofageale refluxziekte of het verergeren van bestaande symptomen.

Vooral bij tricyclische antidepressiva is de mogelijke invloed van anticholinerge eigenschappen op de refluxbarrière een relevant aandachtspunt.

Bij SSRI’s en SNRI’s zijn eveneens statistische verbanden beschreven, maar het is minder duidelijk welke mechanismen daarvoor verantwoordelijk zijn.

Daarnaast kunnen antidepressiva de gevoeligheid van de slokdarm beïnvloeden. Sommige middelen worden juist gebruikt om functionele slokdarmklachten te verminderen.

De belangrijkste boodschap is daarom dat antidepressiva bij het zoeken naar de oorzaak van brandend maagzuur niet over het hoofd mogen worden gezien, maar ook niet automatisch als oorzaak mogen worden aangewezen.

Een zorgvuldige beoordeling van het medicijngebruik, de refluxbarrière en andere mogelijke oorzaken kan helpen om tot een gerichte aanpak te komen.

Wie meer wil weten over de werking van de refluxbarrière en de verschillende factoren die refluxklachten kunnen onderhouden, vindt hierover uitgebreide uitleg in het Brandend maagzuur Herstelplan.

Brandend maagzuur kan verschillende oorzaken hebben. Daarom is het belangrijk om verder te kijken dan alleen het onderdrukken van maagzuur.

In mijn Brandend Maagzuur Herstelplan leg ik uit hoe de spijsvertering, de refluxbarrière en het autonome zenuwstelsel samenwerken. Je ontdekt hoe je met gerichte oefeningen, kleine aanpassingen in voeding en leefstijl en met ademhalingstraining en -technieken kunt werken aan de oorzaken van reflux.

Ontdek het Brandend Maagzuur Herstelplan →

Gebruik je antidepressiva? Verander of stop je medicatie nooit op eigen initiatief. Bespreek mogelijke bijwerkingen en refluxklachten altijd met je behandelend arts.

  1. Van Soest EM, Dieleman JP, Kuipers EJ. (2008). The effect of anticholinergic agents on gastro-oesophageal reflux and related disorders. Expert Opinion on Drug Safety, 7(2), 173–180. DOI: 10.1517/14740338.7.2.173.
  2. Van Soest EM et al. (2007). Tricyclic antidepressants and the risk of reflux esophagitis. American Journal of Gastroenterology, 102(9), 1870–1877. DOI: 10.1111/j.1572-0241.2007.01320.x.
  3. E Martín-Merino, A Ruigómez, L A García Rodríguez, M-A Wallander, S Johansson.
    Depression and treatment with antidepressants are associated with the development of gastro-oesophageal reflux disease. (2010). PubMed PMID: 20199498.
  4. Sherif Saleh, Ronnie Fass.
    The Use of Antidepressants in Patients With Depression Is Associated With Gastroesophageal Reflux Disease and Disease Severity. (2025). PubMed PMID: 40033459.
  5. Katz PO et al. (2022). ACG Clinical Guideline for the Diagnosis and Management of Gastroesophageal Reflux Disease. American Journal of Gastroenterology, 117(1), 27–56.
    DOI: 10.14309/ajg.0000000000001538.
  6. V. Boecxstaens, R. Bisschops, K. Blondeau, R. Vos, E. Scarpellini, D. De Wulf & J. Tack. Modulation of the postprandial acid and bile pockets at the gastro-oesophageal junction by drugs that affect gastric motility. Aliment Pharmacol Ther 2011; 33: 1370–1377.
  7. Nancy C. Brahm, Merry C. Kelly-Rehm. Antidepressant-Mediated Gastroesophageal Reflux Disease. The Consultan Pharmacist aPril 2011 Vol. 26, no. 4
  8. Farmacotherapeutisch Kompas Geneesmiddelmonografieën van paroxetine en amitriptyline; groepstekst tricyclische antidepressiva. Dit bevestigt dat paroxetine zwakke anticholinerge eigenschappen heeft.
  9. Mittal RK. Motor Function of the Pharynx, Esophagus, and its Sphincters. San Rafael (CA): Morgan & Claypool Life Sciences; 2011
  10. P J Hornby, T P Abrahams. Central control of lower esophageal sphincter relaxation. Am J med. 2000 Mar 6:108 Suppl 4a:90S-98S

Jan van Rooden D.O. – Osteopaat en orthomoleculair PNI-therapeut

Jan van Rooden heeft bijna 30 jaar ervaring als osteopaat en orthomoleculair PNI-therapeut. Vanuit zijn praktijkervaring heeft hij zich uitgebreid verdiept in gastro-oesofageale reflux en brandend maagzuur.

Hij is auteur van het Brandend Maagzuur Herstelplan en deelt zijn kennis over reflux, spijsvertering en leefstijl op deze website.

Lees meer over zijn professionele achtergrond en persoonlijke visie op brandend maagzuur.

Bekijk alle artikelen uit de kennisbank

fout: Content is protected !!